![]() |
![]() |
|
het (wilde) konijnAl onze konijnenrassen stammen af van het wilde bruingrijze konijn, niet van de haas. Het konijn is géén knaagdier, maar behoort tot de haasachtigen (Lagomorpha). Kruisingen tussen haas en konijn zijn echter niet mogelijk door hun te verschillende manier van voortplanten: - Hazen brengen hun jongen op een beschutte plaats ter wereld in plaats van in een hol en hun jongen worden behaard en met open ogen geboren. Ze worden nestvlieders genoemd: dieren die al vrij snel na de geboorte uit het nest te voorschijn komen en met de moeder al wat hapjes mee kunnen eten. - Konijnen zijn nestblijvers. De jongen worden kaal, blind (na 10 dagen gaan de ogen open) en volstrekt hulpeloos in een hol ver onder de grond geboren en zijn 2 tot 3 weken volledig afhankelijk van de moedermelk. Daarna zetten ze onder toezicht van de moeder, voedster, de eerste stapjes buiten het hol. Domesticatie: Rond 1100 voor Christus ontdekten de Phoeniciërs het wilde konijn in het huidige Spanje. Veel later pas begonnen de Romeinen met het houden van konijnen voor het vlees. Door het grote aanpassingsvermogen en de goede vruchtbaarheid van de konijnen lukte deze poging tot domesticatie (van een wild, levend dier een huisdier maken). De verschillende konijnenrassen zijn ontstaan door mutaties; plotselinge veranderingen in erfelijke aanleg waardoor een jong konijn er anders uit ziet dan zijn ouders. In de vrije natuur zouden deze afwijkende dieren, zoals een albino, geen kans tot overleven hebben, maar in de beschermde omgeving van ommuurde tuinen konden zij zich handhaven en voortplanten. In de loop der eeuwen werd het konijn door de mens over de hele wereld verspreid, vooral t.b.v. de jacht. In sommige delen van de wereld ontstond als gevolg hiervan, en het ontbreken van natuurlijke vijanden (denk aan Australië), een enorme konijnenplaag. We kennen alleen in Nederland al ongeveer 50 konijnenrassen. Natuurlijke levenswijzeKonijnen leven in de natuur in familiegroepen op zandige terreinen waar ze holen graven in het zand. Het hol is door meerdere gangen te bereiken en bestaat uit een aparte kraamkamer, een apart woonhol en enkele vluchtkamers. Hun uitwerpselen doen ze bij voorkeur in één bepaalde hoek. s' Avonds en s' nachts komen ze naar buiten om op zoek te gaan naar eten. De meest natuurlijke tijd om een konijn te voeren zou dus ook s' avonds moeten zijn. Vocht of kou verdraagt een konijn minder goed dan hitte. De lange oren, waardoor veel bloed stroomt, zijn een uitstekende warmte-afvoerinstallatie. Je ziet dan ook dat konijnen kleinere oren hebben naarmate ze in een kouder klimaat leven. VoortplantingEen vrouwtjes konijn heet voedster, het mannetje heet rammelaar of ram en een jong wordt lamprei genoemd. De draagtijd van een voedster is ongeveer 30 dagen, waarna 6 tot 8 jongen geworpen worden. Van tevoren maakt ze een nest en stoffeert dit met donsharen uit haar eigen vacht. De kale, blinde, hulpbehoevende jongen worden 1 tot 2 maal per dag gezoogd. Na 6 weken zijn de konijntjes zelfstandig. Zodra overbevolking en daardoor voedselgebrek zou ontstaan, worden er minder jongen geboren. Er wordt nog wel uitbundig gepaard en er beginnen ook jongen te groeien, maar deze worden tussen de elfde en de vijftiende dag van de dracht door het moederlichaam als het ware weer opgezogen. Dit verschijnsel heet "resorptie". In het wild worden konijnen gemiddeld 4 jaar en als huisdier ongeveer 8 jaar oud. GedragWanneer het konijn iets verdachts hoort gaat het overeind zitten, spitst de oren en bij gevaar waarschuwt het de andere konijnen door een paar maal met de achterpoten op de grond te stampen. Het konijn gromt als het boos is, brommen doen alleen de mannetjes om aan te geven dat ze bereid zijn om te paren. Bij het "sociale pels verzorgen" likt het konijn de vacht van een ander konijn, wat een liefkozing inhoud en tevens belangrijk is voor het reinigen van de vacht. Een konijn maakt 2 verschillende soorten ontlasting. Een droge vorm, de bekende keutels, en een natte vorm. De natte vorm, die meestel s' nachts en in de vroege morgen geproduceerd wordt, wordt door het konijn weer opgegeten. Deze natte ontlasting bevat nog veel vitamine B en verschillende eiwitten, die voor het dier belangrijk zijn. In het wild markeren konijnen hun leefgebied met ontlasting en urine. Konijnen zijn fanatieke gravers en knagers, omdat hun tanden doorgroeien hebben ze knaaghout nodig om hun tanden te laten slijten. UiterlijkDe vacht bestaat uit dekharen en donsharen. Het witte staartje dient als "achterlichtje" bij de vlucht, konijnen kunnen elkaar hierdoor goed volgen. Het konijn heeft lange snorharen, deze functioneren als tastharen vooral in het donker onder de grond handig. Konijnen hebben niet zo 'n goedgezichtsvermogen, maar horen en ruiken doen ze erg goed. De oren van het konijn zijn lang en kunnen naar alle kanten bewegen en gericht worden. Het konijn heeft een kinklier die geurstoffen (feromonen) afscheidt, waarmee het o.a. zijn territorium markeert en alle dingen die het als eigen beschouwt. VoedingKonijnen kunnen niet braken. Ze hebben een lang darmkanaal dat gespecialiseerd is in het verteren van vezelige plantaardige producten. De darmen behoren tot de meest gevoelige en snelst ontregelde organen van een konijn. Konijnen zijn planteneters met een kleine, weinig actieve maag. Doordat het dier veelvuldig voedsel opneemt, drukt de nieuwe lading voer de oude maaginhoud als het ware de darmen in. Konijnen zijn prooidieren en zullen daarom niet snel aangeven dat ze ziek zijn.
|